Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AE2658

Datum uitspraak1999-10-08
Datum gepubliceerd2002-05-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199901608/1 en 199901608/2
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 199901608/1 en 199901608/2. Datum uitspraak: 8 oktober 1999. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant]. en anderen te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 29 juli 1999 in het geding tussen: appellanten en burgemeester en wethouders van Zaanstad. 1. Procesverloop Bij brieven van 15 januari 1998 hebben burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellanten medegedeeld dat zij niet tijdig hebben kunnen beslissen op de op 28 juli 1997 ingekomen aanvragen van Sepeba B.V. om een bouwvergunning voor de bouw van twee bedrijfsruimten met ieder een dienstwoning op de lokatie [adres] te [woonplaats] en dat als gevolg hiervan op 28 oktober 1997 van rechtswege de gevraagde bouwvergunningen zijn verleend. Bij besluit van 20 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen door appellanten ingestelde bezwaar, dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 52 van de Woningwet, gegrond verklaard, en voor het overige de bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 29 juli 1999, verzonden op 3 augustus 1999, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de president) het tegen dit besluit door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 9 augustus 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 1999, waar R. H. in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr H.Y. N. en mr J.G. D., beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is Sepeba B.V., vertegenwoordigd door mr J.C. B., advocaat te Amsterdam, als partij gehoord. Overwegingen De onderhavige bouwaanvragen hebben betrekking op de realisering van de vestiging van het aannemingsbedrijf "[bedrijf 1]" en het bouwbedrijf "[bedrijf 2]". De daarbij op te richten dienstwoningen zijn in de bouwwerken geïntegreerd. De Voorzitter is - anders dan appellanten - van oordeel dat in de bouwwerken voldoende te onderscheidien is tussen de bedrijfs- en woongedeelten. Het bedrijfsgedeelte van de bouwwerken heeft een inhoud van ongeveer 700/800 m3, en het woongedeelte een inhoud van bijna 400 m3. Beoogd wordt de bedrijfsruimten aan te wenden voor de vervaardiging van bouwtekeningen en calculaties, voor de opslag en reparatie van gereedschappen, als kantine en als vergaderruimte. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Kalverpolder' is het bouwperceel bestemd voor 'Bedrijven'. Op deze bestemming heeft artikel 13 van de planvoorschriften betrekking. Ingevolge artikel 13, eerste lid, zijn de op de plankaart als zodanig bestemde gronden aangewezen voor het bouwen van bebouwing voor instellingen en bedrijven, die functies uitoefenen vermeld in bijlage C1 en de aanleg van de daarbij behorende verkeers-, opslag- en groenvoorzieningen. Eveneens zijn toegelaten de instellingen en bedrijven, die functies uitoefenen vermeld in bijlage C2, als het produktieproces of een deel daarvan niet plaatsvindt tussen 19.00 en 07.00 uur. Uitgesloten zijn die bedrijven die voldoen aan de omschrijvingen van het Besluit categorie A-inrichtingen Wet Geluidhinder. De volgende eisen gelden: a. (...) b. (...) c. (...) d. per instelling of bedrijf mag één dienstwoning worden gebouwd met een maximale inhoud van 400 m3. Blijkens artikel 1, aanhef en onder l, wordt in de planvoorschriften onder dienstwoning verstaan: een woning die behoort bij en waarvan de bewoning noodzakelijk is voor en verband houdt met de bedrijfsuitoefening in of beheer van het bedrijf of instelling op het perceel waarop de woning zich bevindt, zoals een woning voor een portier of conciërge. Met de president is de Voorzitter van oordeel dat beide bedrijven zijn aan te merken als bouwbedrijven, en dat zij te rekenen zijn tot de bedrijfsfunctieomschrijving "bouwnijverheid" zoals aangegeven op de lijst van bedrijfsfuncties genoemd in artikel 13, opgenomen als bijlage C2 bij de bestemmingsplanvoorschriften. Voor zover appellanten, in verband met het beoogde gebruik van de bedrijfsruimten, hebben gesteld dat zich geen "volwaardige" bouwbedrijven vestigen, kunnen zij daarin niet worden gevolgd. Voor de beantwoording van de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan moet het bouwplan worden beoordeeld aan de hand van hetgeen ten aanzien van de voor het perceel geldende bestemming in het plan is bepaald. In dat licht kan niet worden staande gehouden dat de bedrijven niet passen in de omschrijving "bouwnijverheid". Uit het bestemmingsplan volgt niet dat alleen dan van een bouwbedrijf kan worden gesproken wanneer sprake is van de uitoefening van alle functies die bij een dergelijk bedrijf kunnen behoren. Hetgeen ten aanzien van de terminologie inzake bedrijfsactiviteiten en in acht te nemen afstanden is bepaald in de toelichting op de functielijsten (waaronder de standaardlijst) is in dit geval dan ook niet van doorslaggevend belang. Evenals de president is de Voorzitter voorts van oordeel dat burgemeester en wethouders de noodzaak van de bouw van de dienstwoningen hebben kunnen aannemen. Voor het oordeel dat dienstwoningen bij een bedrijfsuitoefening als waarvan in dit geval sprake is niet zijn toegestaan, is in het bestemmingsplan geen aanknopingspunt te vinden. Hetgeen appellanten ter zake hebben betoogd, treft geen doel. De conclusie is dat het bouwplan voor de twee bedrijfsruimten met ieder een dienstwoning in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De stukken noch het verhandelde ter zitting geven aanleiding appellanten te volgen in hun betoog dat de doelstellingen van het bestemmingsplan met het voorliggende bouwplan worden doorkruist. Burgemeester en wethouders hebben in dit geval - zoals zij in het besluit van 20 mei 1999 hebben bevestigd - de toepasselijkheid van artikel 52 van de Woningwet miskend. Gegeven de juistheid hiervan, volgt uit de op grond van genoemd artikel bestaande aanhoudingsplicht dat wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, en dat derhalve niet al vergunningen van rechtswege zijn verleend na ommekomst van de in dat lid genoemde termijn. Gebleken is voorts dat bij besluiten van 23 november 1998, ter inzage gelegd op 27 november 1998, vergunningen op grond van de Wet milieubeheer zijn verleend. Vast staat verder dat met betrekking tot deze beschikkingen op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 52 de aanhouding is geëindigd. Nu burgemeester en wethouders voorts hebben nagelaten om binnen de in artikel 52, derde lid, gestelde termijn op de aanvragen om bouwvergunning te beslissen, moet worden geoordeeld dat na het verstrijken van die termijn de bouwvergunningen van rechtswege zijn verleend. Het ingediende bezwaar moet, met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, worden geacht hiertegen te zijn gericht. Ten slotte wordt overwogen dat, indien nadien mocht blijken dat de bouwwerken uitsluitend of mede zullen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming "Bedrijven" voorziet, om handhaving van het bestemmingsplan kan worden verzocht. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van de gronden te worden bevestigd. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak; wijst het verzoek af. Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 1999.